verb
uittrekken (kleren), verhuizen
A1
ausziehen is een scheidbaar sterk werkwoord met twee hoofdbetekenissen: ‘uittrekken’ (kleren) en ‘verhuizen, uit een woning gaan’. Het kan wederkerend of transitief zijn. Voltooid deelwoord: ausgezogen. In de voltooide tijden gebruik je haben of sein, afhankelijk van de betekenis.
Voorbeelden
Er hat seine Schuhe ausgezogen.
Hij heeft zijn schoenen uitgetrokken.
Er zieht seine Jacke aus.
Hij doet zijn jas uit.
Die Familie zog aus der Wohnung aus, weil die neue Arbeitsstelle in einer anderen Stadt begann.
Het gezin verhuisde uit het appartement omdat de nieuwe baan in een andere stad begon.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een jas over je hoofd uit trekt (de jas gaat ‘uit’ je lichaam), en stel je een bank voor die door de deur naar buiten wordt gedragen wanneer je verhuist.
Denk aan ‘out’ (aus) + ‘zee-en’ (ziehen) — ‘out-zee-en’ → iets naar buiten brengen / uitdoen.
Opmerkingen
Ausziehen is een scheidbaar werkwoord (het voorvoegsel ‘aus’ scheidt in hoofdzinnen). Het kan transitief zijn (iemand trekt iets uit), wederkerig (sich ausziehen = zich uitkleden) of intransitief (ausziehen = verhuizen). Het voltooid deelwoord kan zowel ‘haben’ (transitief) als ‘sein’ (intransitief: beweging/verandering van toestand) gebruiken.