verb
kiezen, selecteren, uitkiezen
B1
auswählen betekent ‘kiezen, selecteren’. Het is een scheidbaar werkwoord: aus scheidt af in de hoofdzin. Perfect met haben: hat ausgewählt. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling: ich wähle, du wählst. Niet-reflexief.
Voorbeelden
Wir haben die Gewinner ausgewählt.
We hebben de winnaars geselecteerd.
Bitte wählen Sie das gewünschte Modell aus.
Selecteer het gewenste model.
Er wählte die beste Option aus.
Hij koos de beste optie.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer dat je naar een voorwerp wijst en zegt: ‘Ik kies dit’ — het voorvoegsel ‘aus’ gaat naar het einde wanneer je spreekt.
Klinkt als ‘ouse-veh-len’ — denk aan ‘uitkiezen’ (out-choose).
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord (aus-wählen). In gesproken taal en in hoofdzinvormen gaat het voorvoegsel naar het einde: ‘Ich wähle das aus.’ Voltooid deelwoord: ‘ausgewählt’.