verb
drukken, duwen, knijpen, persen
A1
drücken is een regelmatig zwak werkwoord en betekent „drukken”, „duwen” of „knijpen”. Voltooid deelwoord: gedrückt; hulpwerkwoord: haben. Niet scheidbaar en niet wederkerend. Vaak met auf + accusatief: auf den Knopf drücken.
Voorbeelden
Bitte drücken Sie den Knopf.
Druk alstublieft op de knop.
Sie drückte den Knopf, obwohl niemand erwartete, dass etwas passieren würde.
Ze drukte op de knop, hoewel niemand verwachtte dat er iets zou gebeuren.
Er drückt die Tür, damit sie sich öffnet.
Hij duwt tegen de deur zodat die opengaat.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vinger voor die op een knop drukt totdat er een klein ‘druck’-geluidje klinkt — de vinger ‘drückt’ op de knop.
Klinkt als ‘drew-ken’ — stel je voor dat je iemand naar je toe ‘tekent’ (drew) om hem lichtjes aan te drukken.
Opmerkingen
Gebruikt voor fysieke handelingen (op een knop drukken, een deur duwen) en voor samenknijpen/uitknijpen (tubes, enz.). Kan ook figuurlijk worden gebruikt (bijv. jemanden drücken = iemand omhelzen / iemand aandrukken). Niet-scheidbaar werkwoord. Het voltooid deelwoord wordt gevormd met „haben” (gedrückt).