verb
verhuizen, van kleren veranderen, omkleden
A1
Werkwoord: umziehen betekent ‘verhuizen’ of ‘iemand aankleden / zich omkleden’. Het is een scheidbaar en sterk werkwoord: zieh-/zog-/umgezogen. Bij ‘verhuizen’ staat in het perfectum meestal sein: ich bin umgezogen; met een lijdend voorwerp gebruik je haben.
Voorbeelden
Nächste Woche ziehen wir in eine neue Wohnung um.
Volgende week verhuizen we naar een nieuw appartement.
Letzte Woche sind wir umgezogen.
Vorige week zijn we verhuisd.
Er ist schon dreimal umgezogen.
Hij is al drie keer verhuisd.
Details
Ezelsbruggetjes
een persoon die dozen ‘um’ trekt en shirts verwisselt
klinkt als ‘um-zee-gen’ — stel je voor dat je dozen dichtritst om te verhuizen
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: in de tegenwoordige tijd scheidt het voorvoegsel ‘um’ zich af (ich ziehe um). In de betekenis ‘verhuizen’ gebruikt het in voltooide tijden meestal het hulpwerkwoord ‘sein’ (ich bin umgezogen). Konjunktiv I Präteritum-vormen zijn niet van toepassing / worden niet gebruikt in het moderne Duits. Passief is alleen van toepassing bij transitieve gebruiken; bij intransitief gebruik (‘verhuizen’) is passief meestal niet relevant.