verb
toebehoren aan, eigendom zijn van
A1
gehören betekent ‘toebehoren aan’ of ‘eigendom zijn van’. Het staat meestal met de datief: Das Buch gehört mir. Met zu drukt het lidmaatschap of behoren tot een groep uit: Er gehört zur Gruppe. Regelmatig zwak werkwoord, perfekt met haben: hat gehört.
Voorbeelden
Das hat mir gehört.
Dat was van mij.
Das Haus gehört einer älteren Familie.
Het huis behoort toe aan een oudere familie.
Das Buch gehört mir.
Het boek is van mij.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een naamlabel voor dat op een voorwerp is geplakt (zoals «Eigendom van Anna») — dat label laat zien dat het voorwerp van iemand is.
Klinkt een beetje als «go-hair-en» — stel je voor dat iets naar iemands «haar» gaat om bezit te onthouden.
Opmerkingen
Gehören krijgt een datief object (bijv. «das Buch gehört mir»). Het is een onovergankelijk werkwoord met de betekenis «toebehoren» of «iemand toebehoren». Passieve vormen worden zelden gebruikt met gehören, omdat het geen direct object heeft dat natuurlijke passivisatie mogelijk maakt. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingstabellen zijn niet van toepassing.