noun
snelweg, autoweg
A1
Autobahn betekent ‘snelweg’ of ‘autosnelweg’. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Autobahn, meervoud die Autobahnen. Vaak gebruik je het met auf: auf der Autobahn fahren. Het woord verwijst naar Duitse snelwegen met speciale verkeersregels.
Voorbeelden
Wir fahren die Autobahn bis zur Ausfahrt 12.
We rijden over de snelweg tot afrit 12.
Auf der Autobahn darf man oft schneller fahren.
Op de snelweg mag je vaak sneller rijden.
Auf der Autobahn bildete sich ein Stau, weil ein Lkw liegen blieb.
Op de snelweg ontstond een file omdat een vrachtwagen pech kreeg.
Details
Ezelsbruggetjes
een lange weg met meerdere rijstroken waar auto’s hard rijden
auto + bahn (trein) -> grote weg voor auto’s
die — denk aan ‘die Bahn’ (de spoorweg), vrouwelijk; Autobahn is als de ‘autospoorweg’
Opmerkingen
Meervoud: Autobahnen. Belangrijk voor reislwoordenschat in Duitstalige landen.