noun
identiteitskaart, ID
A1
Ausweis (m.) betekent ‘identiteitsbewijs’ of ‘ID-kaart’. Meervoud: Ausweise. Het woord wordt vooral gebruikt in officiële situaties, bij controles, op reis of bij de overheid. Handige uitdrukking: Ausweis vorzeigen = je ID tonen. Genitief: des Ausweises.
Voorbeelden
Der Kontrolleur verlangte den Ausweis, weil er die Identität der Reisenden prüfen musste.
De controleur vroeg om het identiteitsbewijs, omdat hij de identiteit van de reizigers moest controleren.
Ohne Ausweis kannst du nicht reisen.
Zonder identiteitsbewijs kun je niet reizen.
Bitte zeigen Sie Ihren Ausweis am Eingang.
Toon alstublieft uw identiteitsbewijs bij de ingang.
Details
Ezelsbruggetjes
een klein kaartje met foto en «Ausweis» erop
denk aan «out-wise» (document dat laat zien wie je bent)
der — zoals «der Beweis» (bewijs); Ausweis is als bewijs van identiteit
Opmerkingen
Meervoud: Ausweise. Veelgebruikt officieel documentwoord.