noun
auto, wagen
A1
Auto is een veelgebruikt, informeel woord voor ‘auto’ of ‘wagen’. Het is onzijdig: das Auto, meervoud Autos. De verbuiging is regelmatig: des Autos, die Autos. In formelere contexten gebruikt men vaker Pkw of Wagen.
Voorbeelden
Das Auto steht vor dem Haus.
De auto staat voor het huis.
Die Polizei untersuchte das Auto, das nach dem Unfall stark beschädigt war.
De politie onderzocht de auto die na het ongeluk zwaar beschadigd was.
Wir kaufen ein neues Auto.
We kopen een nieuwe auto.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een kleine auto voor met ‘Auto’ op de deur
das Auto — stel je een neutraal bordje (das) op een autosleutel voor
Opmerkingen
Auto is een verkorting van Automobil. Het meervoud is meestal ‘Autos’.