verb
oprapen, oppakken, annuleren
B1
aufheben: scheidbaar werkwoord met twee hoofdbetekenissen: 1) oprapen, optillen; 2) opheffen, annuleren of ongeldig maken (bv. een wet of reservering). Onregelmatig: Präteritum hob auf, voltooid deelwoord aufgehoben. Perfekt met haben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er hebt das Buch vom Boden auf.
Hij raapt het boek van de vloer op.
Ich hebe den Stift vom Boden auf.
Ik raap de pen van de vloer op.
Wir haben die alten Fotos aufgehoben.
We hebben de oude foto's bewaard.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je bukt om een gevallen portemonnee ‘op te tillen’ en veilig weg te stoppen.
denk aan „up-heaven” — iets omhoog tillen naar de hemel (oprapen).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Scheidbaar werkwoord. Heeft een onregelmatige verleden tijd (hob) en het voltooid deelwoord „aufgehoben”. Kan afhankelijk van de context „oprapen”, „bewaren” of „opheffen” betekenen.