verb
rondbrengen, bezorgen, organiseren, uitvechten
A2
austragen is een scheidbaar en sterk werkwoord: voltooid deelwoord ausgetragen. Het betekent onder meer bezorgen of rondbrengen, een wedstrijd of verkiezing organiseren, of een conflict uitvechten/uitdragen. Perfect met haben. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling a→ä: du trägst, er trägt; verleden tijd: trug.
Voorbeelden
Der Postbote trug die Pakete aus, obwohl der Weg länger war als üblich.
De postbode bezorgde de pakketten, hoewel de route langer was dan gewoonlijk.
Der Briefträger trägt heute die Pakete aus.
De postbode bezorgt vandaag de pakketten.
Er trug die Post aus.
Hij bezorgde de post.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die een stapel kranten uit de voordeur draagt en ze door de straat bezorgt.
Denk aan ‘out’ + ‘tragen’ als ‘out-range’ — iets ‘naar buiten dragen’.
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: in de tegenwoordige tijd scheidt het voorvoegsel « aus » zich af (er trägt die Zeitungen aus). Veelvoorkomende combinaties: « Zeitungen austragen » (kranten rondbrengen), « einen Wettbewerb/eine Wahl austragen » (een wedstrijd/verkiezing organiseren of houden), « einen Streit austragen » (een conflict uitvechten/voeren, vaak « vor Gericht austragen »). Gebruikt het hulpwerkwoord « haben » in samengestelde tijden (hat ausgetragen). Stamveranderingen: in de 2e/3e persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd a -> ä (du trägst, er trägt), verleden tijd a -> u (ich trug), Partizip II = ausgetragen.