austragen

verb
rondbrengen, bezorgen, organiseren, uitvechten
A2

austragen is een scheidbaar en sterk werkwoord: voltooid deelwoord ausgetragen. Het betekent onder meer bezorgen of rondbrengen, een wedstrijd of verkiezing organiseren, of een conflict uitvechten/uitdragen. Perfect met haben. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling a→ä: du trägst, er trägt; verleden tijd: trug.

Voorbeelden

Der Postbote trug die Pakete aus, obwohl der Weg länger war als üblich.
De postbode bezorgde de pakketten, hoewel de route langer was dan gewoonlijk.
Der Briefträger trägt heute die Pakete aus.
De postbode bezorgt vandaag de pakketten.
Er trug die Post aus.
Hij bezorgde de post.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenPresent: a -> ä in 2nd/3rd person singular (du trägst, er trägt). Preterite stem vowel: a -> u (ich trug). Partizip II: ausgetragen.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es trägt aus
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es trug aus
Perfekter/sie/es hat ausgetragen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die een stapel kranten uit de voordeur draagt en ze door de straat bezorgt.
👂Denk aan ‘out’ + ‘tragen’ als ‘out-range’ — iets ‘naar buiten dragen’.

Opmerkingen

Scheidbaar werkwoord: in de tegenwoordige tijd scheidt het voorvoegsel « aus » zich af (er trägt die Zeitungen aus). Veelvoorkomende combinaties: « Zeitungen austragen » (kranten rondbrengen), « einen Wettbewerb/eine Wahl austragen » (een wedstrijd/verkiezing organiseren of houden), « einen Streit austragen » (een conflict uitvechten/voeren, vaak « vor Gericht austragen »). Gebruikt het hulpwerkwoord « haben » in samengestelde tijden (hat ausgetragen). Stamveranderingen: in de 2e/3e persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd a -> ä (du trägst, er trägt), verleden tijd a -> u (ich trug), Partizip II = ausgetragen.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichtrage aus
duträgst aus
er/sie/esträgt aus
wirtragen aus
ihrtragt aus
sie/Sietragen aus
ichwerde ausgetragen
duwirst ausgetragen
er/sie/eswird ausgetragen
wirwerden ausgetragen
ihrwerdet ausgetragen
sie/Siewerden ausgetragen
ichtrage aus
dutragest aus
er/sie/estrage aus
wirtragen aus
ihrtraget aus
sie/Sietragen aus
ichwerde ausgetragen
duwerdest ausgetragen
er/sie/eswerde ausgetragen
wirwerden ausgetragen
ihrwerdet ausgetragen
sie/Siewerden ausgetragen
ichtrüge aus
dutrügest aus
er/sie/estrüge aus
wirtrügen aus
ihrtrüget aus
sie/Sietrügen aus
ichwürde ausgetragen
duwürdest ausgetragen
er/sie/eswürde ausgetragen
wirwürden ausgetragen
ihrwürdet ausgetragen
sie/Siewürden ausgetragen
dutrag aus
ihrtragt aus
Sietragen aus