verb
uitgaan, naar buiten gaan
A2
Ausgehen is een scheidbaar sterk werkwoord. Het betekent vooral ‘uitgaan’ in de zin van ergens heen gaan om zich te vermaken, en ook ‘uitgaan’ bij licht of vuur. In het Perfekt gebruikt het sein: ist ausgegangen. Voltooid deelwoord: ausgegangen.
Voorbeelden
Ich gehe heute Abend aus.
Ik ga vanavond uit.
Er ist mit seinen Freunden ausgegangen.
Hij ging uit met zijn vrienden.
Sie geht oft aus.
Ze gaat vaak uit.
Details
Ezelsbruggetjes
vrienden verlaten samen het huis, terwijl het woord ‘aus’ (naar buiten) van het werkwoord loskomt
klinkt als Engels ‘out-go’ (naar buiten gaan)
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen gaat het voorvoegsel ‘aus’ naar het einde (ich gehe aus). Gebruikt ‘sein’ in de voltooide tijden (ich bin ausgegangen). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.