ausgehen

verb
uitgaan, naar buiten gaan
A2

Ausgehen is een scheidbaar sterk werkwoord. Het betekent vooral ‘uitgaan’ in de zin van ergens heen gaan om zich te vermaken, en ook ‘uitgaan’ bij licht of vuur. In het Perfekt gebruikt het sein: ist ausgegangen. Voltooid deelwoord: ausgegangen.

Voorbeelden

Ich gehe heute Abend aus.
Ik ga vanavond uit.
Er ist mit seinen Freunden ausgegangen.
Hij ging uit met zijn vrienden.
Sie geht oft aus.
Ze gaat vaak uit.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenPresent: du gehst, er geht; Präteritum stem 'ging-'; Partizip II 'gegangen'.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es geht aus
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es ging aus
Perfekter/sie/es ist ausgegangen

Ezelsbruggetjes

👁️vrienden verlaten samen het huis, terwijl het woord ‘aus’ (naar buiten) van het werkwoord loskomt
👂klinkt als Engels ‘out-go’ (naar buiten gaan)

Opmerkingen

Scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen gaat het voorvoegsel ‘aus’ naar het einde (ich gehe aus). Gebruikt ‘sein’ in de voltooide tijden (ich bin ausgegangen). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichgehe aus
dugehst aus
er/sie/esgeht aus
wirgehen aus
ihrgeht aus
sie/Siegehen aus
ichgehe aus
dugehest aus
er/sie/esgehe aus
wirgehen aus
ihrgehet aus
sie/Siegehen aus
ichginge aus
dugingest aus
er/sie/esginge aus
wirgingen aus
ihrginget aus
sie/Siegingen aus
dugeh aus!
ihrgeht aus!
Siegehen aus!