noun
uitgang
A1
Ausgang is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘uitgang’, ‘afrit’ of ‘weg naar buiten’. Meervoud: Ausgänge, met umlaut en -e. Verbuiging: des Ausgangs, dem Ausgang. Vaak gebruikt voor deuren, stations en nooduitgangen.
Voorbeelden
Der Ausgang ist in der Nähe der Toilette.
De uitgang is in de buurt van het toilet.
Der Ausgang befindet sich auf der linken Seite.
De uitgang bevindt zich aan de linkerkant.
Nachdem das Konzert zu Ende gegangen war, suchten die Besucher den Ausgang, weil sie schnell nach Hause wollten.
Nadat het concert was afgelopen, zochten de bezoekers naar de uitgang omdat ze snel naar huis wilden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een deur voor met het label ‘Ausgang’ en een pijl die naar buiten wijst.
denk aan ‘out-going’ -> uitgang
der - zoals ‘der Gang’ (de gang), mannelijk
Opmerkingen
Meervoud: Ausgänge. Vaak gebruikt op borden in gebouwen.