verb
op reis gaan, reizen
A2
verreisen betekent op reis gaan of weg zijn voor een reis. Het is een intransitief werkwoord; in de voltooide tijden met sein: sie ist verreist. Zwak en regelmatig; voltooid deelwoord verreist. Niet wederkerig en niet scheidbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Bevor die Familie verreiste, goss der Vater die Pflanzen.
Voordat het gezin op reis ging, gaf de vader de planten water.
Wir verreisen meistens im Sommer.
We reizen meestal in de zomer.
Ich verreise morgen in den Urlaub.
Ik ga morgen op vakantie.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een koffer bij de deur voor met een ticket dat eruit steekt en een klein label «ver-» terwijl je naar een zonsopgang loopt.
Klinkt een beetje als «very» + «rise» — stel je voor dat je je koffer optilt en vertrekt.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Onovergankelijk werkwoord dat in voltooide tijden meestal met het hulpwerkwoord «sein» wordt gebruikt (bijv. «er ist verreist»). Het werkwoord heeft een onlosmakelijk voorvoegsel «ver-». Passief is niet van toepassing op dit onovergankelijke werkwoord.