verreisen

verb
op reis gaan, reizen
A2

verreisen betekent op reis gaan of weg zijn voor een reis. Het is een intransitief werkwoord; in de voltooide tijden met sein: sie ist verreist. Zwak en regelmatig; voltooid deelwoord verreist. Niet wederkerig en niet scheidbaar.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Bevor die Familie verreiste, goss der Vater die Pflanzen.
Voordat het gezin op reis ging, gaf de vader de planten water.
Wir verreisen meistens im Sommer.
We reizen meestal in de zomer.
Ich verreise morgen in den Urlaub.
Ik ga morgen op vakantie.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYsein
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.YES
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEweak

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es verreist
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es verreiste
Perfekter/sie/es ist verreist

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een koffer bij de deur voor met een ticket dat eruit steekt en een klein label «ver-» terwijl je naar een zonsopgang loopt.
👂Klinkt een beetje als «very» + «rise» — stel je voor dat je je koffer optilt en vertrekt.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Onovergankelijk werkwoord dat in voltooide tijden meestal met het hulpwerkwoord «sein» wordt gebruikt (bijv. «er ist verreist»). Het werkwoord heeft een onlosmakelijk voorvoegsel «ver-». Passief is niet van toepassing op dit onovergankelijke werkwoord.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichverreise
duverreist
er/sie/esverreist
wirverreisen
ihrverreist
sie/Sieverreisen
ichverreise
duverreisest
er/sie/esverreise
wirverreisen
ihrverreiset
sie/Sieverreisen
ichverreiste
duverreistest
er/sie/esverreiste
wirverreisten
ihrverreistet
sie/Sieverreisten
duVerreise!
ihrVerreist!
SieVerreisen!