verb
ruilen, uitwisselen
A2
tauschen betekent ‘ruilen’ of ‘uitwisselen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: Präteritum tauschte, Partizip II getauscht. In de voltooide tijd gebruikt het haben. Niet reflexief en niet scheidbaar. Veelgebruikte constructie: etwas gegen etwas tauschen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Kann ich mein Stück Kuchen gegen deins tauschen?
Kan ik mijn stuk cake ruilen voor het jouwe?
Ich habe die Plätze getauscht.
Ik heb de plaatsen omgewisseld.
Die Schüler tauschten die Bücher, nachdem der Lehrer die Aufgabe erklärt hatte, damit jeder das passende Kapitel lesen konnte.
De leerlingen ruilden de boeken nadat de leraar de opdracht had uitgelegd, zodat iedereen het passende hoofdstuk kon lezen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je twee kinderen voor die ruilkaarten uitwisselen terwijl ze ‘tauschen!’ zeggen.
klinkt als ‘toush-en’ — stel je voor dat twee mensen voorwerpen aanraken en ruilen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
tauschen wordt meestal gebruikt voor het ruilen van voorwerpen of het uitwisselen van dingen; wederkerig gebruik (sich tauschen) komt minder vaak voor.