verb
opstaan, gaan staan
A1
aufstehen betekent „opstaan” of „zich oprichten”. Het is een scheidbaar en sterk (onregelmatig) werkwoord: Präteritum stand, voltooid deelwoord aufgestanden. In de voltooide tijden gebruikt het sein: ich bin aufgestanden. Het is niet wederkerig. In hoofdzinnen staat auf aan het einde: ich stehe auf.
Voorbeelden
Ich stehe jeden Morgen um sieben Uhr auf.
Ik sta elke ochtend om zeven uur op.
Ich stehe jeden Morgen früh auf.
Ik sta elke ochtend vroeg op.
Bitte steh auf, wenn der Lehrer den Raum betritt.
Ga alstublieft staan wanneer de leraar de klas binnenkomt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die uit bed springt met een pijl «auf» die omhoog wijst.
denk aan «up-stand» — «auf» (omhoog) + «stehen» (staan).
n/a
Opmerkingen
« aufstehen » is scheidbaar in de tegenwoordige tijd (ich stehe auf) en gebruikt «sein» als hulpwerkwoord in voltooide tijden (ich bin aufgestanden). | Onovergankelijk werkwoord van beweging; persoonlijke passiefconstructies zijn niet van toepassing.