verb
aan zijn, ingeschakeld zijn, wakker zijn
A1
auf sein betekent vooral ‘aan staan’ bij een apparaat en in de omgangstaal ‘wakker zijn’. Het wordt met sein vervoegd; voltooid deelwoord: auf gewesen. Niet wederkerend. De uitdrukking is vast en volgt de vormen van sein.
Voorbeelden
Die Geschäfte sind heute auf.
De winkels zijn vandaag open.
Obwohl die Besucher schon gegangen waren, war das Licht im Flur auf, sodass die Nachbarn sich wunderten.
Hoewel de bezoekers al weg waren, was het licht in de gang aan, waardoor de buren zich afvroegen wat er aan de hand was.
Das Licht ist im Wohnzimmer auf.
Het licht in de woonkamer is aan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een lichtschakelaar voor met «auf» in de AAN-stand om «auf sein» = «aan zijn» te onthouden.
letterlijk «omhoog zijn» — denk aan «up» als actief/aan.
Opmerkingen
«auf sein» is een werkwoordelijke uitdrukking opgebouwd uit «sein» + partikel. Ze wordt idiomatisch gebruikt voor dingen die «aan» staan (lichten) en informeel voor mensen die wakker zijn (jemand ist noch auf). | Werkwoordelijke uitdrukking met «sein»; persoonlijke passieve vormen zijn niet van toepassing. Het tegenwoordig deelwoord voor deze uitdrukking wordt normaal niet gebruikt en is gemarkeerd als «niet van toepassing» in participles.präsens.