verb
roken
A1
rauchen betekent „roken” (tabak, sigaretten enz.). Het is een regelmatig zwak werkwoord: rauchte, geraucht. Het perfectum vormt het met haben. Niet wederkerig en veelgebruikt in het dagelijks leven.
Voorbeelden
Ich rauche nicht.
Ik rook niet.
Ich rauche nicht mehr.
Ik rook niet meer.
Ich habe noch nie geraucht.
Ik heb nog nooit gerookt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een dunne rookpluim voor die uit een sigaret opstijgt.
Klinkt als ‘rock-en’ — stel je voor dat je wiegt terwijl je rookt.
Opmerkingen
Standaard zwak werkwoord. Voltooid deelwoord: ‘geraucht’. Een gewoontehandeling; ook gebruikt in contexten over rookverslaving en gezondheid. Sommige zeldzame passieve vormen in Konjunktiv I präteritum en plusquamperfectum ontbraken oorspronkelijk of waren ongebruikelijk; die specifieke zeldzame passieve vormen zijn gemarkeerd als ‘niet van toepassing’ wanneer ze normaal niet worden gebruikt.