verb
slapen
A1
schlafen betekent ‘slapen’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: Präteritum schlief, voltooid deelwoord geschlafen. In de voltooide tijd gebruikt het haben. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling a → ä: du schläfst, er schläft. Niet wederkerig.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe gut geschlafen.
Ik heb goed geslapen.
Die Kinder schliefen, nachdem das Abendessen beendet worden war, obwohl draußen noch Lärm zu hören gewesen war.
De kinderen sliepen nadat het avondeten was afgelopen, hoewel er buiten nog lawaai te horen was geweest.
Ich habe nur drei Stunden geschlafen.
Ik heb maar drie uur geslapen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand in bed voor met ‘Zzz’ en het label ‘schlafen’
klinkt een beetje als ‘snooze’ — schlafen = slapen
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Sterk werkwoord met klinkerwisseling in de verleden tijd en tegenwoordige tijd (du schläfst). Voltooid deelwoord: «geschlafen». | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.