werden

verb
worden, zal, zijn
A1

werden is een zeer belangrijk sterk onregelmatig werkwoord en betekent „worden, iets worden”. Het dient ook als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd en het passief. Stamklinkerwisseling in het presens: du wirst, er wird; präteritum wurde; perfect ist geworden.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Ich werde morgen kommen.
Ik kom morgen.
Der Direktor erklärte, dass die neuen Regeln ab nächsten Monat umgesetzt werden würden, damit alle Abteilungen vorbereitet sein konnten.
De directeur legde uit dat de nieuwe regels vanaf volgende maand zouden worden ingevoerd, zodat alle afdelingen voorbereid konden zijn.
Sofia ist gestern dreißig geworden.
Sofia werd gisteren dertig.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYsein
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEstrong
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESPresent stem vowel changes: e -> i (du wirst, er wird). Past stem wur- (wurde).

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wird
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es wurde
Perfekter/sie/es ist geworden

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een zaadje voor dat in een plant verandert — het zaadje ‘wer’den’ tot een plant
👂klinkt als ‘ver-den’ — denk aan ‘veranderen in’ (worden)

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Werden is een onregelmatig werkwoord dat zowel als lexicaal werkwoord met de betekenis ‘worden’ als als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd en voor de lijdende vorm wordt gebruikt. In de voltooide tijden gebruikt het normaal het hulpwerkwoord sein (bijv. ‘ich bin geworden’). Let op de klinkerveranderingen in de tegenwoordige tijd (du wirst, er wird) en de verleden stam (wurde). Opmerking: Konjunktiv I präteritum wordt in de praktijk niet gebruikt en staat in de vervoegingstabel als ‘niet van toepassing’.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichwerde
duwirst
er/sie/eswird
wirwerden
ihrwerdet
sie/Siewerden
ichwerde + Partizip
duwirst + Partizip
er/sie/eswird + Partizip
wirwerden + Partizip
ihrwerdet + Partizip
sie/Siewerden + Partizip
ichwerde
duwerdest
er/sie/eswerde
wirwerden
ihrwerdet
sie/Siewerden
ichwerde + Partizip
duwerdest + Partizip
er/sie/eswerde + Partizip
wirwerden + Partizip
ihrwerdet + Partizip
sie/Siewerden + Partizip
ichwürde
duwürdest
er/sie/eswürde
wirwürden
ihrwürdet
sie/Siewürden
ichwürde + Partizip
duwürdest + Partizip
er/sie/eswürde + Partizip
wirwürden + Partizip
ihrwürdet + Partizip
sie/Siewürden + Partizip
duwerde!
ihrwerdet!
SieWerden!