verb
openen, openen (een winkel)
A2
aufmachen is een scheidbaar werkwoord en betekent ‘openmaken’ of ‘een winkel openen’. Het is regelmatig: voltooid deelwoord aufgemacht, perfect met haben. Het voorvoegsel auf- scheidt zich in de vervoeging: du machst auf. Niet-reflexief.
Voorbeelden
Ich mache die Tür auf.
Ik doe de deur open.
Er machte das Fenster auf.
Hij deed het raam open.
Ich mache die Tür auf.
Ik doe de deur open.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een deksel ‘omhoog’ (auf) tilt en het naar achteren vliegt — je ‘opent’ iets.
Klinkt een beetje als Engels ‘off’, maar denk: ‘auf’ = open (het tegenovergestelde van dicht).
Opmerkingen
aufmachen is een scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen gaat het voorvoegsel ‘auf’ naar het einde (ich mache die Tür auf). Het is een regelmatig (zwak) werkwoord en gebruikt haben in de voltooide tijden (ich habe aufgemacht).