verb
hangen, ophangen
A2
hängen betekent ‘hangen’ of ‘ophangen’. Het is een onregelmatig, gemengd werkwoord met haben. Onovergankelijk: hing, gehangen; overgankelijk: hängte, gehängt. Let op het verschil in betekenis, want daarvan hangen de voltooid deelwoordvorm en het passief af.
Voorbeelden
Das Bild hängt an der Wand.
Het schilderij hangt aan de muur.
Ich hänge meine Jacke auf.
Ik hang mijn jas op.
Das Tuch hängt über dem Fenster und bewegt sich im Wind.
De doek hangt boven het raam en beweegt in de wind.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een schilderij voor dat aan de muur hangt.
Klinkt als Engels ‘hang’ + -en.
werkwoordlemma — geslachtsanker is niet van toepassing.
Opmerkingen
Twee veelvoorkomende betekenissen en paradigma’s:
- Onovergankelijk ‘hängen’ (hangen): sterk paradigma — Präteritum ‘hing’, Partizip II ‘gehangen’ (bv. ‘es hing’, ‘es hat gehangen’).
- Overgankelijk ‘hängen’ (iets ophangen): zwak paradigma — Präteritum ‘hängte’, Partizip II ‘gehängt’ (bv. ‘er hängte das Bild’, ‘er hat das Bild gehängt’).
Het passief is alleen mogelijk bij de overgankelijke betekenis (bv. ‘Das Bild wird gehängt’). Beide paradigma’s worden gegeven in de vervoegingsvormen waar van toepassing.