verb
uitpakken, uitpakken (van een doos)
A2
auspacken is een scheidbaar en regelmatig werkwoord: ‘uitpakken’, bijvoorbeeld een koffer, pakket of cadeau openen. In de voltooide tijd gebruik je haben: hat ausgepackt. Voltooid deelwoord: ausgepackt. Niet wederkerend; de context bepaalt de betekenis.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich packe mein Geschenk aus.
Ik pak mijn cadeau uit.
Als die Touristen im Hotel ankamen, packten sie die Koffer aus und suchten nach Informationen, weil der Empfang geschlossen war.
Toen de toeristen bij het hotel aankwamen, pakten ze hun koffers uit en zochten ze naar informatie omdat de receptie gesloten was.
Ich packe meinen Koffer aus.
Ik pak mijn koffer uit.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je een koffer of doos opent en de spullen eruit haalt — ze komen ‘uit’ een pak.
Denk aan ‘out-pack’ — ‘aus’ = out + ‘pack’ = pak => uitpakken.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
auspacken is een scheidbaar werkwoord (het voorvoegsel ‘aus’ scheidt in hoofdzinnen: ich packe aus). Het gebruikt haben als hulpwerkwoord in de voltooide tijden (ich habe ausgepackt).