verb
missen, verpassen
A2
Werkwoord met de betekenis ‘missen’, ‘verpassen’ of ‘aan je voorbij laten gaan’. Gebruikt voor een trein, bus, kans of persoon: einen Zug verpassen. Regelmatig zwak werkwoord, niet-scheidbaar en niet-reflexief; met haben: hat verpasst.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe die Gelegenheit verpasst.
Ik heb de gelegenheid gemist.
Ich verpasse den Bus.
Ik mis de bus.
Sie hat die Gelegenheit verpasst.
Ze heeft de kans gemist.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een bus voor die langs je heen rijdt terwijl je kijkt — je ‘verpasst’ de bus.
Denk aan ‘over-pass’ — je laat de bus aan je voorbijgaan en mist hem.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Verpassen wordt gebruikt voor het missen van vervoer, gebeurtenissen of kansen. Het wordt NIET gebruikt voor het missen van personen (dan zeg je «jemanden vermissen»). Het is een transitief werkwoord dat een lijdend voorwerp krijgt (den Bus, die Gelegenheit). In de voltooide tijden gebruikt het «haben» (ich habe verpasst).