verb
opladen, laden
B1
aufladen is een scheidbaar en sterk werkwoord. Het betekent ‘opladen’ van een batterij of apparaat, maar ook ‘laden’ van goederen. Vormen: du lädst auf, lud auf, hat aufgeladen. Perfectum met haben. Veel gebruikt bij techniek en transport.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich muss mein Handy aufladen, der Akku ist fast leer.
Ik moet mijn telefoon opladen, de batterij is bijna leeg.
Sie luden die Waren auf den Lastwagen auf.
Ze laadden de goederen op de vrachtwagen.
Ich habe die Batterie aufgeladen.
Ik heb de batterij opgeladen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Picture plugging a phone into a charger (charging) or loading boxes onto a truck (laden)
sounds like 'off-laden' — imagine loading something onto a truck
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Een scheidbaar werkwoord: «auf-» scheidt zich af. Wordt zowel gebruikt voor het opladen van batterijen als voor het laden van vracht. Voltooid deelwoord: aufgeladen. Klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd: lade → ä in du/er (du lädst, er lädt).