auf

preposition
op
A1

auf is een heel veelvoorkomend voorzetsel en betekent „op” of „naar/op”. Het is een tweerichtingsvoorzetsel: accusatief bij beweging of richting (auf den Tisch) en datief bij plaats of ligging (auf dem Tisch). De context bepaalt de naamval. Komt ook vaak voor in vaste uitdrukkingen.

Voorbeelden

Das Buch liegt auf dem Tisch.
Het boek ligt op de tafel.
Nachdem der Regen aufgehört hatte, setzten sich die Gäste auf die Terrasse, weil sie die frische Luft genießen wollten.
Nadat de regen was opgehouden, gingen de gasten op het terras zitten omdat ze van de frisse lucht wilden genieten.
Stell den Teller auf den Tisch.
Zet het bord op tafel.

Details

Naamvalaccusative, dative
Als tweewegvoorzetsel gebruik je de accusatief bij richting/beweging (auf den Tisch) en de datief bij plaats (auf dem Tisch).

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een deksel ‘op’ een pot voor met het label ‘auf’ om ‘op/naar’ te onthouden.
👂rijmt een beetje op het Engelse ‘off’, maar betekent ‘op’ — stel je voor dat iets ‘auf’ wordt (open/aan).

Opmerkingen

Een veelvoorkomend tweewegvoorzetsel in het Duits; bij beweging komt het vaak overeen met ‘op/naar’ (accusatief), bij plaats met ‘op’ (datief).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek