preposition
uit, vanuit, gemaakt van
A1
aus is een voorzetsel dat altijd de datief vereist. Het betekent afhankelijk van de context „uit”, „van” of „gemaakt van”: aus dem Haus, aus Holz. Het drukt herkomst, materiaal of beweging naar buiten uit. Het is geen tweewegvoorzetsel.
Voorbeelden
Ich komme aus Deutschland.
Ik kom uit Duitsland.
Weil der Strom aus dem Generator kam, funktionierten die Geräte weiter, obwohl das normale Netz ausgefallen war.
Omdat de stroom uit de generator kwam, bleven de apparaten werken, hoewel het normale net was uitgevallen.
Nimm das Buch aus der Tasche.
Haal het boek uit de tas.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een deur voor die « naar buiten » (aus) uit een kamer wordt geduwd.
klinkt als «ouse» in «house» zonder de h; stel je naar buiten gaan voor (house -> ous).
Opmerkingen
« aus » regeert altijd de datief (bijv. aus dem Haus). Het verschijnt vaak als voorvoegsel in scheidbare werkwoorden (aus-).