preposition
in
A1
in is het Duitse voorzetsel voor „in”. Het is een tweerichtingsvoorzetsel: met accusatief bij beweging naar een plaats (Ich gehe in die Schule) en met datief bij een locatie of toestand (Ich bin in der Schule). De naamval bepaalt dus of het om richting of plaats gaat.
Voorbeelden
Die Konferenz fand in der Stadt statt, nachdem die Organisatoren den Termin verschoben hatten, weil viele Teilnehmer absagten.
De conferentie vond plaats in de stad nadat de organisatoren de datum hadden verschoven omdat veel deelnemers afzegden.
Ich bin in der Schule.
Ik ben op school.
Details
Ezelsbruggetjes
Picture going into a room — you're moving 'in' the room
same as English 'in'
Opmerkingen
Tweewegvoorzetsel: gebruikt de accusatief bij beweging naar iets toe en de datief bij locatie (zonder beweging).