preposition
aan, bij, op
A1
„an” is een tweerichtingsvoorzetsel en betekent afhankelijk van de context o.a. „aan”, „bij”, „op” of „naar”. Met accusatief gebruik je het bij beweging of richting (an die Wand), met datief bij een vaste plaats (an der Wand).
Voorbeelden
Der Brief hing an der Tür, als die Besucher kamen.
De brief hing aan de deur toen de bezoekers aankwamen.
Häng das Bild an die Wand.
Hang het schilderij aan de muur.
Ich warte an der Haltestelle.
Ik wacht bij de halte.
Details
Ezelsbruggetjes
een pijl die een oppervlak raakt (op/aan)
kort als Engels «on»/«an» als je aan aanraken denkt
Opmerkingen
Een tweerichtingsvoorzetsel: neemt de accusatief voor richting/beweging en de datief voor locatie/toestand.