preposition
naast, bij
A2
neben is een voorzetsel met twee naamvallen en betekent „naast” of „bij”. Met accusatief bij beweging naar een plaats, met datief bij een vaste ligging. Heel vaak gebruikt voor plaats, nabijheid en vergelijking.
Voorbeelden
Stell den Stuhl neben den Tisch.
Zet de stoel naast de tafel.
Die Schülerin fand ihre Tasche neben dem Stuhl, nachdem der Unterricht beendet war.
De leerlinge vond haar tas naast de stoel nadat de les was afgelopen.
Das Café ist neben der Buchhandlung.
Het café is naast de boekhandel.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee huizen voor die elkaar aan de zijkant raken — het ene staat naast het andere.
Klinkt als «neigh-bun» — denk aan iets direct naast de deur.
Opmerkingen
Een tweerichtingsvoorzetsel: neemt de accusatief voor richting (beweging naar) en de datief voor locatie.