verb
opvallen, in het oog springen, zich onderscheiden
B1
auffallen is een scheidbaar werkwoord (auf|fallen) en betekent „opvallen” of „in het oog springen”. Het is onovergankelijk en staat vaak met datief van de persoon: Es fällt mir auf. Perfekt met sein: ist aufgefallen. Sterk en onregelmatig werkwoord.
Voorbeelden
In der Gruppe fällt sein rotes Hemd sofort auf.
In de groep valt zijn rode shirt meteen op.
Sein Verhalten fiel mir sofort auf.
Zijn gedrag viel me meteen op.
Mir fällt auf, dass du heute glücklich bist.
Ik merk dat je vandaag gelukkig bent.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een fel neonbord voor dat van een grijze muur ‘afvalt’ en ineens door iedereen wordt opgemerkt.
Denk aan ‘off’ + ‘fallen’ — iets dat ‘afvalt’ trekt aandacht (valt op).
Opmerkingen
Een scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel «auf» zich af (bijv. «es fällt mir auf»). Het voltooid deelwoord gebruikt het hulpwerkwoord «sein» (ist aufgefallen). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.