preposition
door, via, door middel van
A1
durch is een voorzetsel met de betekenis „door”, „via” of „door middel van”. Het regeert altijd de accusatief: durch den Park. Je gebruikt het voor beweging door iets heen, maar ook voor oorzaak, middel of handelende persoon in de lijdende vorm: durch den Sturm.
Voorbeelden
Reisen Sie durch Europa mit dem Zug.
Reis per trein door Europa.
Das Paket wurde durch die Post geliefert.
Het pakket werd door de post bezorgd.
Wir gehen durch den Park.
We lopen door het park.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je door een tunnel loopt met het label 'durch'
Klinkt als 'door-ch' — stel je voor dat je door een deur gaat om 'through' te onthouden
Opmerkingen
'durch' is een voorzetsel dat de accusatief regeert. Het betekent vaak 'door' of kan in passieve constructies worden vertaald als 'door' (handelende persoon).