verb
tegenspreken, tegenwerpen, bezwaar maken tegen
B1
widersprechen betekent ‘tegenspreken’ of ‘in tegenspraak zijn met’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord, niet-scheidbaar en niet-reflexief. In de tegenwoordige tijd verandert e→i (ich widerspreche, du widersprichst). Het werkwoord krijgt een datief: jemandem widersprechen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Viele Experten widersprachen dem Bericht, weil die zugrunde liegenden Daten unvollständig waren.
Veel experts spraken het rapport tegen, omdat de onderliggende gegevens onvolledig waren.
Er widerspricht oft seinen Kollegen.
Hij spreekt zijn collega's vaak tegen.
Er hat mir widersprochen.
Hij sprak me tegen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je twee mensen voor die ruzie maken: de een spreekt en de ander steekt zijn hand op en zegt ‘wider’ (tegen) terwijl hij terugpraat.
Denk aan ‘wider’ = tegen + ‘speak’ = tegen spreken; klinkt als ‘wider-speak’.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Widersprechen neemt meestal een datiefobject (bijv. «jemandem widersprechen»). Het is onscheidbaar («wider-») en een onregelmatig (sterk) werkwoord met klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd en een aparte verleden stam. De lijdende vorm is niet van toepassing, omdat het werkwoord geen lijdend voorwerp heeft en dus geen echte handelingspassieve vorm kan vormen.