verb
overnachten, een nacht blijven
A1
werkwoord: „übernachten” betekent ergens overnachten, dus de nacht ergens doorbrengen, bijvoorbeeld bij iemand of in een hotel. Het is een regelmatig, zwak en niet-reflexief werkwoord; perfect: hat übernachtet. Niet scheidbaar. Vaak met bei + datief of in/auf + datief.
Voorbeelden
Ich übernachte bei Freunden.
Ik blijf bij vrienden overnachten.
Er hat bei seiner Familie übernachtet.
Hij heeft bij zijn familie overnacht.
Wir werden in einem Gasthof übernachten.
We zullen in een herberg overnachten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon met een koffer voor die in een hotelbed slaapt.
Denk aan «over-night-chen» — voor de nacht blijven.
Opmerkingen
«übernachten» is in standaardgebruik niet scheidbaar; de vormen zijn regelmatig. Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing, omdat het werkwoord geen lijdend voorwerp heeft en daarom normaal geen passief kent. De passiefvelden zijn daarom gemarkeerd als «niet van toepassing».