verb
openen
A1
öffnen is een regelmatig zwak werkwoord en betekent ‘openen’ of ‘opengaan’. Voltooid deelwoord: geöffnet. Hulpwerkwoord: haben. Niet-reflexief en niet-scheidbaar. Je gebruikt het voor deuren, bestanden, winkels en ook figuurlijk. In de lijdende vorm: werden + geöffnet.
Voorbeelden
Die Bibliothek öffnete verspätet, weil der Strom ausgefallen war.
De bibliotheek ging laat open omdat de stroom was uitgevallen.
Sie hat das Paket geöffnet.
Ze heeft het pakket geopend.
Er öffnete die Tür.
Hij opende de deur.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een grote ‘O’ voor (zoals in ‘öffnen’) die de vorm van een openende deur maakt.
Klinkt als ‘oh-fen’ — denk aan het Engelse ‘open’.
Opmerkingen
Een basiswerkwoord, veelgebruikt, met de betekenis ‘openen’. Gebruikt ‘haben’ als hulpwerkwoord in de voltooide tijd (ich habe geöffnet). Vaak in spreektaal uitwisselbaar met ‘aufmachen’. Passieve vormen worden met ‘werden’ gevormd (bijv. ‘Das Fenster wird geöffnet’). Niet wederkerend.