verb
vliegen
A1
fliegen betekent ‘vliegen’ en ook ‘met het vliegtuig reizen’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: fliege – flog – geflogen. In de voltooide tijd staat meestal sein: ist geflogen. Meestal onovergankelijk; imperatief: flieg, fliegt, fliegen Sie.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Vogel flog davon.
De vogel vloog weg.
Ich fliege in den Urlaub.
Ik vlieg op vakantie.
Die Vögel fliegen im Herbst in den Süden.
De vogels vliegen in de herfst naar het zuiden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een vogel voor met het label ‘fliegen’ op zijn vleugel, zwevend door de lucht.
Klinkt als ‘flee again’ — stel je voor dat je door de lucht vlucht.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Gebruikt doorgaans sein als hulpwerkwoord bij intransitieve beweging (ich bin geflogen). | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.