verb
gaan, lopen
A1
Werkwoord: gehen betekent „gaan”, „lopen” of zich verplaatsen. Het is een sterk en onregelmatig werkwoord: Präteritum ging, voltooid deelwoord gegangen. In de voltooide tijd gebruikt het sein: ich bin gegangen. Ook veel in uitdrukkingen zoals wie geht’s? en es geht.
Voorbeelden
Ich bin ins Kino gegangen.
Ik ben naar de bioscoop gegaan.
Sie ging in den Park.
Ze ging naar het park.
Ich gehe nach Hause.
Ik ga naar huis.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voeten voor die lopen met het label ‘gehen’.
Zoals het Engelse ‘gain’ (stel je voor dat je vooruitgaat).
Opmerkingen
Sterk werkwoord (ging, ist gegangen) — gebruikt «sein» als hulpwerkwoord voor beweging. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.