verb
nemen, pakken, aannemen
A1
nehmen is een sterk, onregelmatig werkwoord met de betekenis “nemen, pakken, aannemen”. Perfect met haben: hat genommen. Klinkerwisseling e→i: du nimmst, er nimmt; verleden tijd nahm. Niet-scheidbaar en niet-reflexief. Imperatief: nimm!, nehmt!, nehmen Sie!
Voorbeelden
Er nahm den Bus.
Hij nam de bus.
Ich habe ein Taxi genommen.
Ik heb een taxi genomen.
Sie hat die Tabletten nicht genommen.
Ze heeft de pillen niet ingenomen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die een voorwerp pakt met een hand waarop 'nehmen' staat.
Klinkt als het Engelse 'name' maar met 'neh' — denk aan 'nemen'.
Opmerkingen
Sterk onregelmatig werkwoord met klinkerverandering in de stam (e -> i) in sommige tegenwoordige vormen (du nimmst). Voltooid deelwoord: 'genommen'.