tanzen

verb
dansen
A1

Werkwoord: tanzen betekent „dansen”. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet-reflexief en niet-scheidbaar. In de voltooide tijd: hat getanzt. Voltooid deelwoord: getanzt, tegenwoordig deelwoord: tanzend. Veelgebruikt in vrijetijdscontexten en in tanzen gehen.

Voorbeelden

Wir tanzen gern am Wochenende.
We dansen graag in het weekend.
Wir haben viel getanzt.
We hebben veel gedanst.
Ich tanze gerne.
Ik dans graag.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es tanzt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es tanzte
Perfekter/sie/es hat getanzt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je twee mensen voor die op het ritme dansen
👂tanzen → «tanz» klinkt als «dans» (vergelijkbaar ritme)

Opmerkingen

Regelmatig zwak werkwoord. Gebiedende wijs enkelvoud is «tanz!». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichtanze
dutanzt
er/sie/estanzt
wirtanzen
ihrtanzt
sie/Sietanzen
ichtanze
dutanzest
er/sie/estanze
wirtanzen
ihrtanzet
sie/Sietanzen
ichwürde tanzen
duwürdest tanzen
er/sie/eswürde tanzen
wirwürden tanzen
ihrwürdet tanzen
sie/Siewürden tanzen
dutanz!
ihrtanzt!
Sietanzen!