verb
dansen
A1
Werkwoord: tanzen betekent „dansen”. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet-reflexief en niet-scheidbaar. In de voltooide tijd: hat getanzt. Voltooid deelwoord: getanzt, tegenwoordig deelwoord: tanzend. Veelgebruikt in vrijetijdscontexten en in tanzen gehen.
Voorbeelden
Wir tanzen gern am Wochenende.
We dansen graag in het weekend.
Wir haben viel getanzt.
We hebben veel gedanst.
Ich tanze gerne.
Ik dans graag.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor die op het ritme dansen
tanzen → «tanz» klinkt als «dans» (vergelijkbaar ritme)
Opmerkingen
Regelmatig zwak werkwoord. Gebiedende wijs enkelvoud is «tanz!». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingen zijn niet van toepassing.