spielen

verb
spelen
A1

spielen betekent ‘spelen’ en ook ‘een instrument bespelen’. Het is een zwak, regelmatig werkwoord, niet scheidbaar en niet wederkerig. Perfekt met haben: hat gespielt. Voltooid deelwoord: gespielt. Veelgebruikt bij spel, sport en muziek.

Voorbeelden

Die Nachbarn berichteten, dass die Kinder im Hof spielten, obwohl es schon spät war.
De buren meldden dat de kinderen op de binnenplaats speelden, hoewel het al laat was.
Ich spiele Fußball.
Ik speel voetbal.
Er spielte Klavier.
Hij speelde piano.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak
Stamveranderingennone (regular weak verb)

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es spielt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es spielte
Perfekter/sie/es hat gespielt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je kinderen voor die in een park spelen wanneer je „spielen” hoort.
👂klinkt als Engels „spiel” (zoals in „spiel” = spel)
⚧️niet van toepassing op werkwoorden

Opmerkingen

Een regelmatig zwak werkwoord dat „spelen” betekent. Vaak gebruikt met instrumenten, spelletjes of sporten.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichspiele
duspielst
er/sie/esspielt
wirspielen
ihrspielt
sie/Siespielen
ichwerde gespielt
duwirst gespielt
er/sie/eswird gespielt
wirwerden gespielt
ihrwerdet gespielt
sie/Siewerden gespielt
ichspiele
duspielest
er/sie/esspiele
wirspielen
ihrspielet
sie/Siespielen
ichwerde gespielt
duwerdest gespielt
er/sie/eswerde gespielt
wirwerden gespielt
ihrwerdet gespielt
sie/Siewerden gespielt
ichwürde spielen
duwürdest spielen
er/sie/eswürde spielen
wirwürden spielen
ihrwürdet spielen
sie/Siewürden spielen
ichwürde gespielt
duwürdest gespielt
er/sie/eswürde gespielt
wirwürden gespielt
ihrwürdet gespielt
sie/Siewürden gespielt
duspiel!
ihrspielt!
Siespielen!