verb
spelen
A1
spielen betekent ‘spelen’ en ook ‘een instrument bespelen’. Het is een zwak, regelmatig werkwoord, niet scheidbaar en niet wederkerig. Perfekt met haben: hat gespielt. Voltooid deelwoord: gespielt. Veelgebruikt bij spel, sport en muziek.
Voorbeelden
Die Nachbarn berichteten, dass die Kinder im Hof spielten, obwohl es schon spät war.
De buren meldden dat de kinderen op de binnenplaats speelden, hoewel het al laat was.
Ich spiele Fußball.
Ik speel voetbal.
Er spielte Klavier.
Hij speelde piano.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je kinderen voor die in een park spelen wanneer je „spielen” hoort.
klinkt als Engels „spiel” (zoals in „spiel” = spel)
niet van toepassing op werkwoorden
Opmerkingen
Een regelmatig zwak werkwoord dat „spelen” betekent. Vaak gebruikt met instrumenten, spelletjes of sporten.