Taschentuch

noun
zakdoek, tissue
B1

Onzijdig zelfstandig naamwoord: „zakdoek” of „tissue”. Het kan een stoffen zakdoek of een papieren zakdoekje betekenen. Meervoud: Taschentücher, met umlaut en -er. Handig om je neus te snuiten of iets af te vegen.

Voorbeelden

Ich brauche ein Papiertaschentuch, bitte.
Ik heb een papieren zakdoekje nodig, alstublieft.
Er zog ein Taschentuch aus der Tasche.
Hij haalde een zakdoek uit zijn zak.
Ich brauche ein Taschentuch, ich habe Schnupfen.
Ik heb een zakdoek nodig, ik heb verkoudheid.

Details

MeervoudTaschentücher

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Taschentuchdie Taschentücher
genitivedes Taschentuchsder Taschentücher
dativedem Taschentuchden Taschentüchern
accusativedas Taschentuchdie Taschentücher

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een klein doekje voor dat in een zak zit; je kunt het kleine vierkantje snel pakken wanneer je het nodig hebt.
👂Klinkt als ‘tash-en-took’ — stel je voor dat iemand een klein ‘tash’ stukje stof ‘pakte’.
⚧️Onzijdig (das): stel je een klein neutraal vierkantje voor met ‘das’ erop gestempeld.

Opmerkingen

Kan een herbruikbare stoffen zakdoek betekenen of een wegwerpzakdoekje (Papiertaschentuch). In informele contexten zeggen Duitsers vaak «Taschentuch» voor beide.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek