noun
zakdoek, tissue
B1
Onzijdig zelfstandig naamwoord: „zakdoek” of „tissue”. Het kan een stoffen zakdoek of een papieren zakdoekje betekenen. Meervoud: Taschentücher, met umlaut en -er. Handig om je neus te snuiten of iets af te vegen.
Voorbeelden
Ich brauche ein Papiertaschentuch, bitte.
Ik heb een papieren zakdoekje nodig, alstublieft.
Er zog ein Taschentuch aus der Tasche.
Hij haalde een zakdoek uit zijn zak.
Ich brauche ein Taschentuch, ich habe Schnupfen.
Ik heb een zakdoek nodig, ik heb verkoudheid.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein doekje voor dat in een zak zit; je kunt het kleine vierkantje snel pakken wanneer je het nodig hebt.
Klinkt als ‘tash-en-took’ — stel je voor dat iemand een klein ‘tash’ stukje stof ‘pakte’.
Onzijdig (das): stel je een klein neutraal vierkantje voor met ‘das’ erop gestempeld.
Opmerkingen
Kan een herbruikbare stoffen zakdoek betekenen of een wegwerpzakdoekje (Papiertaschentuch). In informele contexten zeggen Duitsers vaak «Taschentuch» voor beide.