noun
zakgeld, zakgeld voor kinderen
A2
Taschengeld (das Taschengeld) betekent ‘zakgeld’: geld dat kinderen regelmatig van hun ouders krijgen. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord; meervoud: Taschengelder. Gewone verbuiging. Samenstelling van Tasche + Geld. Veelgebruikte combinaties: Taschengeld bekommen, ausgeben, sparen.
Voorbeelden
Der Junge gab einen Teil seines Taschengeldes aus, damit er das neue Spiel kaufen konnte.
De jongen gaf een deel van zijn zakgeld uit, zodat hij het nieuwe spel kon kopen.
Mein Bruder bekommt jeden Monat Taschengeld.
Mijn broer krijgt elke maand zakgeld.
Wie viel Taschengeld bekommst du pro Woche?
Hoeveel zakgeld krijg je per week?
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer een kleine portemonnee met het label «Taschengeld» en munten erin.
Taschen- ~ geen directe Engelse match; denk aan «pocket» (Tasche).
das — denk aan «das Geld» (onzijdig), dus «das Taschengeld».
Opmerkingen
Meestal niet-telbaar; vaak gebruikt voor kleine bedragen die aan kinderen worden gegeven. Veelvoorkomende combinaties: « Taschengeld bekommen/geben ».