verb
zwemmen
A1
schwimmen is een sterk, onregelmatig werkwoord dat ‘zwemmen’ betekent. Verleden tijd: schwamm; voltooid deelwoord: geschwommen. In het perfectum met sein: ich bin geschwommen. Het is onovergankelijk, niet scheidbaar en niet wederkerig. Meestal over zwemmen in water.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er schwimmt jeden Morgen.
Hij zwemt elke ochtend.
Das Kind schwamm bis zum Rand des Beckens, obwohl der Bademeister ihm sagte, nicht so weit zu gehen.
Het kind zwom tot aan de rand van het zwembad, hoewel de badmeester hem had gezegd niet zo ver te gaan.
Ich bin im Meer geschwommen.
Ik heb in de zee gezwommen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die ritmisch zijn armen beweegt om te ‘schwim-mem’ (zwemmen)
klinkt als het Engelse ‘swim’
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Vaak gebruikt met «ins Schwimmbad gehen» om te gaan zwemmen. Het voltooid deelwoord wordt bij intransitief gebruik vaak met sein gebruikt (ist geschwommen). | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.