verb
koken
A1
kochen betekent ‘koken’ en ook ‘koken/borrelen’ bij vloeistoffen. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben in het perfectum: hat gekocht. Voltooid deelwoord: gekocht. Niet scheidbaar en niet wederkerig. Kan transitief of intransitief gebruikt worden.
Voorbeelden
Ich habe heute Abend gekocht.
Ik heb vanavond gekookt.
Ich koche heute Abend.
Ik ga vanavond koken.
Die Mutter kochte das Abendessen, während die Kinder ihre Hausaufgaben machten.
De moeder kookte het avondeten terwijl de kinderen hun huiswerk maakten.
Details
Ezelsbruggetjes
Een pan die borrelt op het fornuis met het label 'kochen'
kochen klinkt een beetje als 'kitchen' — allebei over koken
Opmerkingen
Regelmatig zwak werkwoord. Gebruikt «haben» als hulpwerkwoord in voltooide tijden.