wandern

verb
wandelen, hiken, zwerven
A1

wandern betekent ‘wandelen’ in de zin van ‘hiken’ of ‘zwerven’. Het is een onovergankelijk werkwoord van beweging en krijgt in het perfectum sein: ich bin gewandert. Zwak en regelmatig; voltooid deelwoord: gewandert.

Voorbeelden

Obwohl das Wetter schlecht gewesen war, wanderte die Gruppe den ganzen Tag, weil der Führer die Strecke gut kannte.
Hoewel het weer slecht was geweest, wandelde de groep de hele dag, omdat de gids de route goed kende.
Wir wandern jeden Sonntag.
Wij wandelen elke zondag.
Er wandert ohne Ziel durch die Stadt.
Hij dwaalt doelloos door de stad.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wandert
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es wanderte
Perfekter/sie/es ist gewandert

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die met een rugzak over een pad loopt
👂wander (Engels) — dezelfde wortel, betekenis makkelijk te onthouden

Opmerkingen

Wandern is meestal onovergankelijk en gebruikt in de voltooide tijd vaak „sein” als hulpwerkwoord (ist gewandert). Persoonlijke lijdende vorm is in normaal gebruik ongrammaticaal; onpersoonlijke passiefvormen („es wird gewandert”, „es ist gewandert worden”) kunnen voorkomen. | Persoonlijke passiefvormen zijn niet van toepassing; alleen onpersoonlijke „es”-vormen worden gebruikt.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichwandere
duwanderst
er/sie/eswandert
wirwandern
ihrwandert
sie/Siewandern
ichwandere
duwanderest
er/sie/eswandere
wirwandern
ihrwandert
sie/Siewandern
ichwürde wandern
duwürdest wandern
er/sie/eswürde wandern
wirwürden wandern
ihrwürdet wandern
sie/Siewürden wandern
duwandere
ihrwandert
SieWandern