verb
wandelen, hiken, zwerven
A1
wandern betekent ‘wandelen’ in de zin van ‘hiken’ of ‘zwerven’. Het is een onovergankelijk werkwoord van beweging en krijgt in het perfectum sein: ich bin gewandert. Zwak en regelmatig; voltooid deelwoord: gewandert.
Voorbeelden
Obwohl das Wetter schlecht gewesen war, wanderte die Gruppe den ganzen Tag, weil der Führer die Strecke gut kannte.
Hoewel het weer slecht was geweest, wandelde de groep de hele dag, omdat de gids de route goed kende.
Wir wandern jeden Sonntag.
Wij wandelen elke zondag.
Er wandert ohne Ziel durch die Stadt.
Hij dwaalt doelloos door de stad.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die met een rugzak over een pad loopt
wander (Engels) — dezelfde wortel, betekenis makkelijk te onthouden
Opmerkingen
Wandern is meestal onovergankelijk en gebruikt in de voltooide tijd vaak „sein” als hulpwerkwoord (ist gewandert). Persoonlijke lijdende vorm is in normaal gebruik ongrammaticaal; onpersoonlijke passiefvormen („es wird gewandert”, „es ist gewandert worden”) kunnen voorkomen. | Persoonlijke passiefvormen zijn niet van toepassing; alleen onpersoonlijke „es”-vormen worden gebruikt.