verb
surfen, internetten
A2
surfen betekent ‘surfen’ of ‘op internet surfen/browsen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord gesurft, tegenwoordig deelwoord surfend. In de voltooide tijden gebruikt het haben. Niet scheidbaar en niet wederkerig. Komt voor in sport en online gebruik.
Voorbeelden
Er surfte am Strand.
Hij surfte op het strand.
Am Wochenende surften die Jugendlichen auf dem See, obwohl der Wind stärker wurde.
In het weekend gingen de jongeren surfen op het meer, hoewel de wind sterker werd.
Wir haben im Urlaub gesurft.
We hebben gesurft tijdens de vakantie.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand op een surfplank voor die over golven van webpagina’s rijdt.
Klinkt als ‘serf-in’ — stel je een websurfer voor die op golven van webpagina’s rijdt.
Opmerkingen
surfen wordt zowel gebruikt voor golfsurfen als voor internetten; de context maakt de betekenis duidelijk. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.