surfen

verb
surfen, internetten
A2

surfen betekent ‘surfen’ of ‘op internet surfen/browsen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord gesurft, tegenwoordig deelwoord surfend. In de voltooide tijden gebruikt het haben. Niet scheidbaar en niet wederkerig. Komt voor in sport en online gebruik.

Voorbeelden

Er surfte am Strand.
Hij surfte op het strand.
Am Wochenende surften die Jugendlichen auf dem See, obwohl der Wind stärker wurde.
In het weekend gingen de jongeren surfen op het meer, hoewel de wind sterker werd.
Wir haben im Urlaub gesurft.
We hebben gesurft tijdens de vakantie.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es surft
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es surfte
Perfekter/sie/es hat gesurft

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand op een surfplank voor die over golven van webpagina’s rijdt.
👂Klinkt als ‘serf-in’ — stel je een websurfer voor die op golven van webpagina’s rijdt.

Opmerkingen

surfen wordt zowel gebruikt voor golfsurfen als voor internetten; de context maakt de betekenis duidelijk. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichsurfe
dusurfst
er/sie/essurft
wirsurfen
ihrsurft
sie/Siesurfen
ichsurfe
dusurfest
er/sie/essurfe
wirsurfen
ihrsurft
sie/Siesurfen
ichwürde surfen
duwürdest surfen
er/sie/eswürde surfen
wirwürden surfen
ihrwürdet surfen
sie/Siewürden surfen
duSurf!
ihrSurft!
SieSurfen!