verb
vallen, omverwerpen
B1
stürzen betekent ‘vallen’, ‘omvallen’ of ‘ten val brengen’. Het is een zwak, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord. In het perfekt gebruikt het sein: ist gestürzt. Voltooid deelwoord: gestürzt. Het kan onovergankelijk zijn, maar ook betekenen ‘iemand omverwerpen’.
Voorbeelden
Sie ist vom Pferd gestürzt.
Ze is van het paard gevallen.
Er stürzte die Treppe hinunter.
Hij viel van de trap.
Der Radfahrer ist gestern auf nasser Straße gestürzt.
De fietser is gisteren op de natte weg gevallen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die struikelt en van de trap tuimelt — het dramatische «sturz»-moment.
Klinkt als «sturz» — denk aan vallen.
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt voor toevallige valpartijen (persoon, voorwerp). In contexten van omverwerpen of ten val brengen (van een regering) kan het transitief of figuurlijk gebruikt worden. (Wanneer transitief gebruikt, zijn passieve vormen mogelijk; wanneer intransitief als «vallen», heeft de handeling geen direct object.)