verb
vluchten, ontsnappen, op de vlucht slaan
B1
fliehen betekent ‘vluchten’, ‘ontsnappen’ of ‘wegvluchten’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord met klinkerwisseling: flieh- → floh-. In het perfectum gebruikt het sein: ich bin geflohen. Vaak met vor + datief.
Voorbeelden
Er ist aus dem Krisengebiet geflohen und lebt jetzt im Ausland.
Hij is uit het crisisgebied gevlucht en woont nu in het buitenland.
Sie ist aus dem Gefängnis geflohen.
Ze is uit de gevangenis ontsnapt.
Viele Bewohner fliehen vor dem Feuer in Sicherheit.
Veel bewoners vluchten voor de brand naar een veilige plek.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die wegrent voor gevaar — die persoon «fliehen» ervoor.
Klinkt als ‘flee in’ — denk aan ‘in paniek vluchten’.
Opmerkingen
Onovergankelijk werkwoord van beweging. Voltooide tijden gebruiken doorgaans «sein» als hulpwerkwoord (ist geflohen). Passief wordt normaal niet gebruikt, omdat het werkwoord onovergankelijk is. | Passieve vormen zijn gemarkeerd als niet van toepassing, omdat het werkwoord onovergankelijk is.