fliehen

verb
vluchten, ontsnappen, op de vlucht slaan
B1

fliehen betekent ‘vluchten’, ‘ontsnappen’ of ‘wegvluchten’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord met klinkerwisseling: flieh- → floh-. In het perfectum gebruikt het sein: ich bin geflohen. Vaak met vor + datief.

Voorbeelden

Er ist aus dem Krisengebiet geflohen und lebt jetzt im Ausland.
Hij is uit het crisisgebied gevlucht en woont nu in het buitenland.
Sie ist aus dem Gefängnis geflohen.
Ze is uit de gevangenis ontsnapt.
Viele Bewohner fliehen vor dem Feuer in Sicherheit.
Veel bewoners vluchten voor de brand naar een veilige plek.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenStem vowel changes from 'ie' (flieh-) to 'o' (floh-) in simple past and related forms

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es flieht
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es floh
Perfekter/sie/es ist geflohen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die wegrent voor gevaar — die persoon «fliehen» ervoor.
👂Klinkt als ‘flee in’ — denk aan ‘in paniek vluchten’.

Opmerkingen

Onovergankelijk werkwoord van beweging. Voltooide tijden gebruiken doorgaans «sein» als hulpwerkwoord (ist geflohen). Passief wordt normaal niet gebruikt, omdat het werkwoord onovergankelijk is. | Passieve vormen zijn gemarkeerd als niet van toepassing, omdat het werkwoord onovergankelijk is.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichfliehe
dufliehst
er/sie/esflieht
wirfliehen
ihrflieht
sie/Siefliehen
ichfliehe
dufliehest
er/sie/esfliehe
wirfliehen
ihrfliehet
sie/Siefliehen
ichflöhe
duflöhest
er/sie/esflöhe
wirflöhen
ihrflöhet
sie/Sieflöhen
duflieh!
ihrflieht!
Siefliehen!