verb
inbreken, binnenbreken, zich met geweld toegang verschaffen
B1
einbrechen betekent ‘inbreken’ of ‘met geweld binnendringen’; in andere contexten ook ‘instorten’ of ‘plots dalen’. Het is een scheidbaar sterk werkwoord: du brichst ein. In het perfect gebruik je sein: ich bin eingebrochen. Vaak met in + Akk.
Voorbeelden
Der Dieb bricht ins Haus ein.
De dief breekt in in het huis.
Die Diebe brachen nachts in das Büro ein, weil die Alarmanlage ausgefallen war.
De dieven braken 's nachts in het kantoor in, omdat het alarmsysteem was uitgevallen.
Der Dieb brach gestern Nacht in das Büro ein.
De dief brak gisteravond in op kantoor.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat een deurslot breekt en het voorvoegsel ‘ein-’ naar voren schuift terwijl iemand binnenkomt.
denk aan ‘in’ + ‘break’ — zoals ‘break in’ in het Engels.
Opmerkingen
einbrechen is een scheidbaar sterk werkwoord (in de tegenwoordige tijd scheidt het voorvoegsel: ‘er bricht ein’). Het voltooid deelwoord gebruikt ‘sein’ (eingebrochen). Lijdende vorm is ongebruikelijk omdat het werkwoord grotendeels intransitief is. | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.