noun
storm, onweer, wervelstorm
B1
Sturm is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Sturm, meervoud die Stürme. Betekent storm, zware wind of een hevige gebeurtenis; ook figuurlijk gebruikt. Meervoud met umlaut. Verbuiging: des Sturms, dem Sturm. Veel voorkomend in weerbericht en uitdrukkingen.
Voorbeelden
Die Fähre fuhr später ab, weil wegen des Sturms viele Passagiere verspätet waren.
De veerboot vertrok later omdat veel passagiers door de storm vertraging hadden.
Der Sturm hat viele Bäume umgeweht.
De storm heeft veel bomen omgewaaid.
Der Sturm hat viele Bäume umgeworfen.
De storm heeft veel bomen omvergeblazen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je harde wind voor die bomen buigt en donkere wolken die snel door de lucht razen.
Lijkt op het Engelse «storm» — hetzelfde idee en dezelfde klank.
der Sturm — stel je een sterke, mannelijke windstoot voor (der) die alles wegvaagt.
Opmerkingen
Sturm wordt gebruikt voor weersstormen en ook figuurlijk (bijv. «ein Sturm der Entrüstung» — een storm van protest). De genitief enkelvoud is meestal «des Sturms» of «des Sturmes» (beide zijn correct).