adjective
stom, stil
B1
stumm is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis ‘stom/muet’ of ‘stil, geluidloos’. Het kan een persoon beschrijven die niet kan spreken, of iets zonder geluid. De vormen zijn regelmatig: stummer, am stummsten. Gebruik als attributief of predicatief; vaak in stumm bleiben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Mikrofon ist stumm geschaltet.
De microfoon is gedempt.
Das Telefon blieb stumm, obwohl viele Nachrichten erwartet wurden.
De telefoon bleef stil, hoewel er veel berichten werden verwacht.
Im Kino muss man während des Films stumm sein.
In de bioscoop moet je tijdens de film stil zijn.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor met een klein 'mute'-knopje op de mond geplakt.
Klinkt als 'stum' — denk aan 'stom' en een 'stille kamer'.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
stumm betekent vaak «niet kunnen spreken» of «uitgeschakeld (geluid)». Het verschilt van still (rustig) — stumm legt de nadruk op het ontbreken van geluid of spraak, terwijl still een laag geluidsniveau benadrukt.